|
|
|
|
|
 
 
 
 
Filmmaker Marijn Poels maakt in opdracht van COS Flevoland en Omroep Flevoland een reis om de wereld op zoek naar de acht grootste wereldproblemen. Op avontuurlijke, toegankelijke en soms indringende wijze brengt hij het werk van diverse organisaties in beeld, portretteert hij de lokale bevolking en de hoop uit de derdewereldlanden. Hij houdt een dagboek bij en beschrijft op filmische wijze zijn belevingen vanachter de camera.
 
 
April 2011, Amazone

De naiviteit op de werkelijkheid | April 2011
 
Porto Velho  - Het is niet de meest comfortabele houding waarin ik me bevind. Het stoeltje in het vierpersoons watervliegtuigje, waarin de piloot mij heeft vastgebonden, maakt mij niet bepaald bewegingsvrij. De veiligheidsriemen trekken mijn schouders tegen de rugleuning aan, zodat mijn hoofd het enige lichaamsdeel is wat nog een beetje bewegen kan. Dat is jammer, want juist mijn hoofd staat op springen. Een heftig kloppende hoofdpijn met een steeds waziger zicht maakt het werk voor mij knap lastig. Ik  ben er zelf debet aan - mijn lijf schreeuwt om water - wat er momenteel niet is. 
 
 
Iets ten zuidoosten vanuit het Braziliaanse plaatsje Porto Velho vliegen we steeds verder de Amazonewouden over. Volgens planning komen we over een uur aan bij één van de rivierstammen die zich langs de 1450 km lange Madeirarivier in het bekken van de Amazone hebben gevestigd. Samen met mijn fotograaf Maik Hagens, onze gidsen Marcus en Robert en twee leden van Stichting Rhiza, Alef en Bob, zijn we in de afgelegen Resecca gemeenschap uitgenodigd om een verhaal te filmen over het belang van onderwijs. De vlieger houdt koers op 400 meter hoogte en heeft zich de afgelopen vijftien minuten ontwikkeld tot een vliegende sauna. De thermometer geeft 50 graden aan. Het beetje vocht wat nog in me zit stroomt door mijn poriën naar buiten en blijft als een plasje liggen op de leren stoel. Ik zit letterlijk en figuurlijk in mijn eigen zweet. Op mijn rechterschouder rust mijn camera die ik met een onhandige bewegingen over het, net iets te hoge, raampje manoeuvreer om uiteindelijk een panorama te filmen van de longen van de aarde. Door mijn ongemakkelijke positie, die ik moet aannemen om mijn rechteroog nogal complex door de zoeker te laten kijken, mijn kloppende hersenpan en mijn steeds waziger zicht, lukt het me niet om gefocust op het beeld te blijven. Ik vertrouw volledig op de juiste instellingen van de camera. Hopende dat mijn beeld scherp staat ingesteld op de duizenden hectare jungle onder me. Zeker weten doe ik het niet. Soms maak ik mijn ogen tijdens het filmen voor een poosje dicht omdat de scherpe steken, die van achter mijn nek door mijn oog duwen, niet te houden zijn. Het moet een adembenemend beeld zijn vanuit de vlieger neer te kijken op de immens uitstrekkende Amazone. Het gaat aan mij voorbij. Het ziet inmiddels zwart voor mijn ogen. Desondanks blijf ik filmen en in gedachte verlang ik als nooit tevoren naar water, veel water. En een handje vol paracetamol en een bescheiden plek waar ik kan liggen.
 
Drie uur later word ik wakker gemaakt door een vijfjarige jongen met een indiaanse uitstraling. Ik lig op een heerlijk bed in een kleine kamer met hardhouten vloer en wanden. Mijn hoofdpijn is gelukkig voorbij ik kijk door het – met muskietennet gepantserd – venster. Een onwerkelijk gezicht. Voor het hutje zie ik alleen maar het lichtbruine water van de Amazone en een aantal bomen en struiken nog net met hun groen boven het water uitkomen. Hier en daar glijdt een kleine houten kano met rivierbewoners aan mijn raam voorbij. Een beetje ontregeld en gedesoriënteerd stel ik me voor aan de kleine jongen. Zijn naam is Jefferson, begrijp ik uit de paar woorden Portugees die ik rijk ben. Het lijkt alsof hij me wilt laten zien waar ik ben en neemt me bij de hand. Samen met Jefferson loop ik nog wat versuft naar de voorkant van de hut. Mijn cameratas, koffer en statief staan keurig tegen de wand geparkeerd. Vreemd, want ik kan me niets meer herinneren vanaf het eerste kwartier in de vlieger. Het lijkt alsof ik in een droom wakker word.
 
 
Eenmaal buiten zie ik dat ik in een houten paalwoning ben. Rechts en links van me staan tientallen soortgelijke paalwoningen boven het Amazonewater. Het is momenteel regenseizoen en het waterpeil in de rivier is dit jaar maar liefst 12 meter hoger gekomen waardoor de gemeenschap, die normaliter langs de oever ligt, voor de komende drie maanden midden in de Madeirarivier ligt. In de verte dobbert ons watervliegtuigje eenzaam op het water. De piloot en mijn reisgenoten zijn nergens te bekennen. Hey Poels!, hoor ik vanachter een dichte struik op het water. Alef, Bob en Maik  hebben zich in de tussentijd al laten rondleiden op een kano door onze gidsen Robert en Marcus.  Het geeft een gevoel van opluchting om hun hier te zien, waarmee mijn gedachte wordt bevestigd dat ik in Resecca ben.
 
Ik krijg een korte geschiedenisles van de Braziliaan Louiz Hinke die met zijn vrouw Nadia in Resecca een schooltje en een malarialaboratorium hebben gesticht. Zelf wonen zij zeven maanden in het jaar bij de gemeenschap.

Resecca is een rivierengemeenschap. Afstammelingen van de originele indianenstammen, maar daar al generatielang niet meer officieel onder vallen. Ooit hadden ze het plan om naar de grote steden te trekken maar hebben zich onderweg ergens permanent gevestigd. De gemeenschap leefde vroeger alleen maar van datgene wat het woud geeft. Bananen, mango’s en vruchten waren voor handen. Rijst en Maniok werden verbouwd en ze maakten jacht op de dieren van de Amazone. Zo hield de stam zich generatielang in leven. Veel anders leeft men momenteel niet, alleen zijn ze afhankelijker geworden van de stad.

Men zag grote boten voorbij varen met splinternieuwe auto’s op het dek op weg naar de stad. Uit nieuwsgierigheid reisde een delegatie uit de gemeenschap de boten achterna. Ze kwamen in de eerstvolgende stad Porto Velho terecht. Door gebrek aan onderwijs, kennis en eigenwaarde belandde de nieuwsgierige reisgezelschappen vaak in de prostitutie, het drugsverkeer met als eindstation de gevangenis. De stad komt dichterbij en werkt als een magneet voor deze gemeenschappen die hun de illusie geeft dat men in de stad rijk en gelukkig wordt. Voor hun is de stad het paradijs waar je moet zijn. Dat de stad ook invloed heeft op Resecca wordt duidelijk wanneer er hier en daar een kano, aangedreven door een klein motortje, voorbij pruttelt.
De bevolking heeft benzine nodig voor hun motortjes en moeten daarvoor naar de stad. Voor het eerst hebben ze geld nodig om aan hun ´levensbehoeften´ te kunnen voldoen. Buiten het leren, lezen, en schrijven is het doel van onderwijs, in een afgelegen gemeenschap als Resecca, om de bevolking bewust te maken van hun capaciteiten. Hoe kan men geld verdienen in de dorpen zodat er aan hun behoeftes kan worden voldaan zonder permanent naar de stad te moeten trekken.
 
De piloot en Louiz nemen afscheid van ons en enkele minuten later vliegen ze met het Cesna toestel de horizon over. Ik loop gespannen naar mijn camera om te kijken of ik tijdens de vermoeiende vlucht enigszins beelden heb kunnen maken boven de Amazone. De tijdscode zegt dat ik 35 minuten heb gefilmd waarvan ik er maar 15 bewust heb meegemaakt. Tot mijn grote opluchting zijn de beelden haarscherp en heb ik gelukkig onbewust prachtige kaders gemaakt. Ik droom weg bij de beelden en herleef de vlucht 35 minuten lang alsof ik een film terugkijk waarin ik zelf dronken was.

Ondanks dat we warm zijn ontvangen door het dorpshoofd en tevens pastor van Resecca, Jokah, heerst er een timide en afstandelijke houding tegenover ons. In tegenstelling tot de Afrikaanse dorpsceremonies waar het hele dorp in al zijn uitbundigheid dansend en schreeuwend elke vreemdeling verwelkomt, blijft het hier bij een handdruk en een buiging. Ik krijg niet helemaal helder of de gemeenschap wel blij is met onze komst en soms twijfel ik daar zelfs aan. De kinderen van de nederzetting daarentegen bezoeken regelmatig onze paalwoning en observeren onbevangen de groep blanken met hun vreemde taal en gewoontes.
 
De zon gaat onder en de natuur schotelt ons een onwerkelijk schouwspel van licht en geluid voor. De rood schemerende zon breekt door de bomen die de bruine rivier in lange lijnen bedekken met een grillige schaduw, terwijl de hemel een fenomenale kleurencombinatie van blauw, rood en geel tegen de wolken projecteert. De lieflijk fluitende dagmelodie van de jungle verandert langzaam in een non-stop insectengeschreeuw dat bijna ritmisch wordt ingezet. Af en toe hoor ik in de verte een luid gebrul, van een voor mij onbekend dier, en in een tijdsbestek van 30 minuten lijkt de wacht te zijn gewisseld. De sterrenhemel is ongewoon helder en de combinatie van geluid en licht brengt me bijna in een natuurlijke extase. Twee dorpsbewoners komen onze hut binnenlopen en nodigen Alef en mij uit voor de jacht. Vol verwachting nemen we plaats op een piepsmalle kano met achter een bescheiden motortje waarmee de bestuurder ons naar de oever van de rivier navigeert. Alef en ik zitten in het midden en voor op het puntje van de kano loert de jager, met in de ene hand een zaklamp en de andere hand een langwerpige speer. Op zoek naar de reflecterende rode ogen van alligators of slangen. Balancerend op de smalle zitstrook probeer ik het tafereel te registreren. In gedachte hoop ik dat de alligator niet al te energiek zal reageren want de kano is niet de meest stabiele plek voor mijn camera. Een val in het water betekent het definitieve einde van mijn werk.
 
 
Dan seint de jager met zijn zaklamp naar de bestuurder en plots wordt het motortje uitgezet en de kano glijdt langzaam op eigen kracht richting de oever. Iedereen is muisstil. Enkel de geluiden van de nacht worden gevoelsmatig nog harder en intenser. De jager gaat voorzichtig staan. Dat alleen al is een kunst die ik hem niet nadoe op zo’n smal stukje van de kano. Langzaam heft hij zijn speer boven zijn hoofd en staat voor drie seconden als een standbeeld zo stil. De concentratie is voelbaar. In een flits zoeft zijn speer het donkere water in. Het eten voor morgen is een feit! Mijn gedachten gaan naar het alledaagse gemak waar ik in vijf minuten naar de slager loop om een paar ons ham op de kop te tikken. Dat doen ze hier letterlijk en figuurlijk ook, maar een groot verschil is dat zij het hier ervaren als een overwinning, een prestatie. Het is samenwerking ten top voor het eten van morgen en een ritueel wat ongetwijfeld meer avontuur kent dan mijn rondje naar de slager. Deze manier van leven geeft mij in ieder geval het meest intense gevoel dat ik leef.
 
De volgende ochtend merk ik dat we heel anders worden benaderd door de bevolking. Ze zijn wat losser geworden en de timide houding van de eerste dag transformeert zich langzaam in een losser en soepeler “buurtschap”. Dat is te merken aan het feit dat onze paalwoning steeds vaker bezoek krijgt van de oudere bevolking. We worden ook steeds hartelijker begroet door de voorbijvarende bewoners. De alligator wordt door twee jongens van vijf jaar de hut in gesleept naar de vrouwen die zich hebben verzameld in onze “keuken”. De messen gaan het oerbeest in en binnen enkele minuten vult zich een 20 liter pot met fijngesneden alligatorvlees.

Het dorpshoofd Jokah komt ons ophalen met zijn kano waarmee we dieper de wouden invaren. Het water onder ons wordt pikzwart. “Dit is anaconda en piranha gebied” Zegt onze gids Marcus Wild. Marcus is net 17 en geboren in de jungle en als een “echte” man  voortdurend loerend en jagend naar al het leven in het water. Af en toe grijpt zijn hand het water in maar veelal is het leven onder de kano hem te snel af. “Wacht maar wanneer ik mijn speer heb” zegt hij bewijzend.
Links en rechts van ons rijzen oerbomen tot tientallen meters naar boven die de honderden lianen als natuurlijke sieraden lijken te dragen. De geluiden in het woud zijn fabelachtig. Af en toe verraadt een geluid zich met een verschijning van een papagaai of een aapje wat over de “sieraden” van het woud een veilig plekje zoekt. Maar het merendeel van de geluiden houdt zich voor ons verscholen… En misschien is dat maar goed ook.

We komen aan bij een relatief grote hut van palmbladeren. Achter de hut leidt een klein modderpaadje ons in enkele ongewone kronkels naar boven. Het woud zorgt voor een heerlijke schaduw over ons pad.  Desondanks is het lastig mezelf veilig te verplaatsen. Niet omdat ik met mijn slippers door de gladde modder loop. Het is meer dat mijn rechteroog tegen de zoeker van de camera het beeld kadert en mijn linkeroog mijn looprichting bepaald. Normaal gezien een prima werkmethode maar het gevaar is dat ik een linker lui oog heb waar ik bijzonder weinig mee zie.
 
 
Eenmaal boven krijgen we een adembenemend zicht over een groot deel van de regio. De prachtig gevormde oerbomen die boven alles uitsteken lijken zich als overgrootvaders te ontfermen over de kleinere bananen-, kokosnoot- en mangobomen. Vlinders zo groot als een pocket in felle kleuren vliegen als een theaterstuk door het groen. Boven op de kale toppen van dode bomen loeren de grote gieren naar het einde des levens van anderen. Een plaatje waar zelfs een schilder zijn kwasten niet aan waagt. Voor mij de definitie van het ultieme paradijs! Chokku, het dorpshoofd, is zichtbaar minder onder de indruk van de omgeving en loopt er vrijwel blindelings aan voorbij. Die gedachte fascineert me. Jokah kent als geen ander de realiteit achter de romantiek, zo leer ik.
In de Amazone geldt het recht van de sterkste. De één zijn dood is de ander zijn brood. Wanneer je ophoudt met de dingen die je moet doen ga je dood, De jungle kent geen pauzes, rust, pensioen of ziektewet. Heel langzaam versplintert mijn romantisch beeld in de werkelijkheid.

Ik betrap me er op dat ik precies dezelfde gedachte bezit als de indianen al decennia lang hebben en vanuit de jungle de stad ook zien als het paradijs. Maar het paradijs werd uiteindelijk hun ondergang. Zo ook mijn romantiek wat slechts de naïviteit op de werkelijkheid blijkt.

Marijn Poels
LEES MEER OVER HET WERK VAN STG. RHIZA Ministerie van VWS